
Zonder sporen van geluid
loopt een dame zacht en deftig,
‘nog een kopje?’ vraagt ze plechtig,
schenkt de zwarte koffie uit
uit de zware zilveren kan
stroomt de koffie ait vedan.
Uitgestreken kraaiensmoelen
staan als wachters naast de stoelen,
uit hun zwarte mottenkleren
stijgt de lucht van dorre heren,
uit de lange pandjesjas
de weeë geur van een karkas.
In een grauwe grijze waas
van sigaretten en sigaren
zitten mensen droef te staren
naar de broodjes ham en kaas,
uit de zware zilveren kan
stroomt de koffie ait vedan.
Laatste halte, eindstation.
Kon hij nog een poosje leven
werd hem nog wat tijd gegeven,
wat zou het mooi zijn als dat kon:
om uit de dood weer op te staan
en met de trein naar huis te gaan.
Maar de dood is niet te paaien
snoert je meedogenloos de mond
en jaagt je na tot in de grond,
de diepe kuil, alwaar de kraaien
nog hun laatste snabbel snaaien,
daarmee is je draaiboek rond.
Zonder sporen van geluid
loopt een dame zacht en deftig,
‘nog een glaasje?’ vraagt ze plechtig
schenkt de fles voorbeeldig uit.
Het is voorbij, het is volbracht,
hulde aan de flessenpracht.
Mooie woorden zijn gewrocht,
spoel ze naar de eeuwigheid,
kijk niet om met wrok en spijt
maar heft omhoog het vurig vocht
en giet het in uw donker krocht:
leve de vergetelheid!
Hettie Franken februari 2008