
Deze stad doet stof opwaaien, grijpers graaien slopers maaien
moede monumenten neer, vergane glorie van weleer.
Een cadans van mokerslagen, bouwvakkers die helmen dragen,
vrachtverkeer dreunt af en aan: wederopbouw, voorwaarts gaan
de mannen in hun mooie pakken, de dames op hun hoge hakken,
grote passen aktetassen, daadkracht op het gelaat geschreven
gedreven door hun idealen spreken ze voor vele zalen
van pand en pui en kapitaal voor het luisterend oor van Jan Modaal.
Ingrijpende veranderingen vertonen zich op groot formaat
met stadse flair en met allure, de stoere Brink in vol ornaat.
Contrasten tussen nieuwbouw en het erfgoed uit een ver verleden,
met grote nadruk op het heden: rechtlijnig, strak, soms met behoud
van onvervalste elementen uit Jugendstil en Art Deco,
wat gespaarde monumenten: ja, dan heb je Hengelo.
Deze stad doet stof opwaaien, groeit gestaag beweegt en leeft,
bezie de oogst voorbij het zaaien en kijk wat hij te bieden heeft:
het trotse Tuindorp, het weidse plein met zijn robuuste lichtobject
en toren die graag groot wil zijn maar net niet tot de hemel strekt.
Een bibliotheek vol hersenvoedsel, toevluchtoord voor letterlust
alwaar men in fauteuils kan rusten en met een krant zijn honger sust.
De schouwburg voor het volks genoegen, het Burgemeester Jansenplein,
rondom geschaard de schalkse kroegen voor roddelpraat en borrelgein.
Als het stof is neergedaald en de wind is afgenomen,
in het glas het bier verschaalt, blijft verlangen steeds weer komen
naar ‘t herrijzen van de bomen die voor de bouw zijn neergehaald.
Naar meer groen tussen de stenen, bloemen en een veldje gras
voor de kinderen om te spelen, met hier en daar nog een terras
onder prille lindebomen langs de zoom van het weidse plein,
zodat de stad, met al haar bouwpracht, ook een groene stad zal zijn.
Maart 2008