
Rolt de laatste trein naar binnen, doemt de toren van ‘t stadhuis,
begin ik als een kat te spinnen, ik ben blij ik ben weer thuis,
reisde uren dagen weken Wenen Warschau en Berlijn,
ben uiteindelijk bezweken … aan heimwee en zielenpijn
oh, oh, Hengelo, mis je zo, mis je zo,
oh, oh, Hengelo, ‘k miste je toch zo.
‘k Zie de grijze flats verrijzen, haan staat hanig op de kerk,
'n verdwaalde burger, straten pleinen paal en perk
‘k zie de verste vergezichten, een ouwe kop, een nieuwe look,
stadse dichter voor gedichten staat te dichten op verzoek
oh, oh, Hengelo, mis je zo, mis je zo,
oh, oh, Hengelo, ‘k miste je toch zo.
‘k Ga door opgebroken straten langs de modder en de drek
maar ik laat me niet verjagen, niet met veren niet met pek
en ik laat me niet beknotten door een hek, door zand en slik,
deze stad behoort ook zotten en ook dwazen zoals ik
oh, oh, Hengelo, mis je zo mis je zo,
oh, oh, Hengelo, ‘k miste je toch zo.
Dus koester waar je woont en kus de grond waarop je loopt,
mijd die schampt en hoont met woorden waar je niks voor koopt.
Pak je morgen toch de trein en vind je dit een treurig gat,
bedenk dan als je daar zult zijn je gaat verlangen naar je stad
oh, oh, Hengelo, mis je zo, mis je zo
oh, oh Hengelo, ‘k miste je toch zo!