De vetbollen bungelen aan een draadje voor het raam
de pinda’s in het netje zijn beschimmeld.
‘Het zijn die verdomde katten, het zal me niets verbazen
wanneer we het hele voorjaar geen vogel zien’
Zij maak zich niet druk om vetbollen en vogels, ze kijkt
naar zijn vermoeide mond, de rimpels in het voorhoofd,
zijn afwezige ogen, het zal haar niets verbazen
wanneer hij haar het hele voorjaar niet ziet.